Codex Studiosorum Bruxellensis
De dochter van de pachter
En als we waren aan het weven, Lagen we gene wol maar wel katoen te geven; Tot op zeker ogenblik, Dat ze zei: "Schei uit ik stik!"
En op de dochter van de pachter, Een keer langs voor, een keer opzij, Een keer langs achter; En dan zegt ze tegen mij: "Wa' ne smeerlap zijdde gij!"
En ik pruttelde niet tegen, Want er was voor mij toch niks meer aan gelegen; Ik had justekens gedaan, En hij bleef al niet meer staan.
En als ze dat voelde gebeuren, Want mijne zakdoek ging ik daarmee niet verscheuren, Sloeg ze mij in het gelaat, Maar och god het was te laat.
Ik ben niet al te rap van zinnen, Maar er schoot mij daar opeens toch iets te binnen; Ik liet alles maar begaan, Want ik had een kapootke aan.
Fout gevonden
Bezoek het forum om fouten te melden aan de redactieraad.
© Codexfonds 2008