Codex Studiosorum Bruxellensis
Dronkemanspraatje
T: Vertaling door pater Bernard van Meurs, 1868
M: 'Grad aus dem Wirtshaus', Heinrich von Mühler, 1840
'k Bracht in dees herberg een avondje door. Straat maar wat komt gij mij wonderlijk voor! Rechter en linker, 't loopt al door elkaar. Straat, gij zijt dronken zeg of is 't nietwaar?
La(×19)
Kijk eens wat een scheef gezicht trekt die maan. Één oog gesloten en één loert mij aan. Ja, z'heeft voorzeker een pintje te veel op. Wag'lend daarboven zij draait lijk nen dop.
En die lantaarns, ik zie toch niet scheel. Drommels. Zij hebben wat olie teveel. Draaiend en zwaaiend langs allen kant heen. Jongens staat vast of ge raakt van de been!
Alles aan 't hotsen wat 'k zie, klein en groot. En nu daaronder ik nuchter als brood! Dat zal niet want ik bemin mij te veel: 'k Ga weer naar de herberg en 'k drink mij daar scheel.
Fout gevonden
Bezoek het forum om fouten te melden aan de redactieraad.
© Codexfonds 2008