Codex Studiosorum Bruxellensis
Filia hospitalis
T: Vertaling uit het Duits, Otto Kamp, 1882
M: Otto Lob, 1885
O heerlijke studententijd Met talloze vermaken, Met minnetochten wijd en zijd, De schoonsten te genaken, Wees mij gegroet, o schone jeugd! Elk aardig meisje baart me vreugd,
En toch is niets aequalis, Aan Filia Hospitalis!
(BIS)
Ik kwam als eerstejaars hier aan En speurde door de straten Waar ik een stoel en bed vond staan Om mij daar neer te laten, 'k Vond luie stoel noch canapé En toch viel mij de kamer mee
Want niemand is aequalis, Aan Filia Hospitalis!
(BIS)
Het is zo'n alleraardigst kind Met zachte, blauwe ogen, De voetjes trippelend gezwind Komt zij naar mij gevlogen, Haar mondje lacht zo lief zo blij, Geen tweede komt haar ooit nabij;
Neen niemand is aequalis, Aan Filia Hospitalis!
(BIS)
Drie huurders heeft ze: de jurist Bezoekt slechts fijne kringen, De medicus heeft zich vergist Als hij zich op wil dringen Doch mij, slechts de philologus, Gaf zij in eer en deugd een kus
Daarom is niets aequalis, Aan Filia Hospitalis!
(BIS)
O liefste blonde, wist ik toch, Wat Geus wil met ons beiden, Een laatste kusje geef me nog Vóór ik van U moet scheiden, En zijt gij mij niet toebedacht, Aan U denk ik bij dag en nacht
Want niemand is aequalis, Aan Filia Hospitalis!
(BIS)
Fout gevonden
Bezoek het forum om fouten te melden aan de redactieraad.
© Codexfonds 2008