Codex Studiosorum Bruxellensis
Lied van Antoon
Er was een boerenmeisje, Er was een boerenzoon, Sofie heette dat meisje, Antoon heette die zoon.
En heddem niet gezien, 't Was zo ne grote smeerlap, En heddem niet gezien, Antoon?
Het meisje had seksappeal, De jongen was heel heet, Daaruit ontstond een drang, Die ieder zelden kan.
Ze hadden saam besloten, Ze hadden saam beslist, Eens lekker te gaan vogelen, Al in de haverkist.
Maar door het danig wrijven, En stoten van zijn zot, Daar vloog hij godverdomme, Die haverkist op slot.
De vader moe van werken, Kwam 's avonds laat naar huis, Wat vond hij te bemerken, Noch zoon noch meid was thuis.
Na lang en pijnlijk zoeken, Wat vond hij tot zijn spijt, Zijn allerliefste zoontje, Al boven op die meid.
In dolle woede ontstoken, Wat toen die smeerlap deed, Hij nam een emmer water, En goot hem op die twee.
Op haar blanke navel, Kreeg zij een volle scheut, Ze zei: "Het is toch spijtig, Want w'hadden heel veel leut."
Maar negen maanden later, Toen kwam een kleine guit, En die had me godverdomme, De haver op zijn snuit.
Daaruit wordt nu besloten, Daaruit wordt nu beslist, Dat vogelen godverdomme, Geen kinderspelen is.
Fout gevonden
Bezoek het forum om fouten te melden aan de redactieraad.
© Codexfonds 2008